Pagina's

maandag 18 november 2013

Jean Somers Le rêve du philosophe. Boekbespreking door Prof. Dr. Em. Ronald Commers


De vrijmetselarij van de toekomst in het licht van “de droom van de filosoof”

Auteur Jean Somers, Le rêve du philosophe, uitgave Brussel, Logos, 2012
 
 
 
 

Recent publiceerde  Jean Somers  zijn boek Le rêve du philosophe. Ik overdrijf niet als ik schrijf dat het een verplichte lectuur is voor de leden die ernstig willen nadenken over de toekomst van de vrijmetselarij in het licht van wat haar verleden is geweest. Het werk is de vrucht van vele jaren maçonnieke activiteit en engagement. Dat Br:. Jean vele functies op zich heeft genomen in het verloop van jaren, heeft niet belet dat hij kritisch is blijven nadenken over de oorsprong, de ontwikkeling en de hedendaagse toestand van de niet dogmatische, continentale vrijmetselarij waarmee hij zich verbonden voelt.

Het boek bestaat uit twee grote delen. Een eerste deel betreft een exploratie van deideeën historische bronnen van de vroege Engelse vrijmetselarij. In het tweede deeltracht de auteur een antwoord te vinden op de vraag: “wie zijn wij inwerkelijkheid?”. Daaraan is de vraag gekoppeld over de toekomst van de vrijmetselarij, in het licht van haar sterke en zwakke punten. Het verband tussen enerzijds de historische bevraging en anderzijds de overweging van de hedendaagse en toekomstige betekenis van de niet dogmatische vrijmetselarij is eigenlijk voortdurend aan de orde. Dat maakt de lectuur van het boek tot een uitdagende en verfrissende onderneming. In die zin lijkt het mij vooral voor vrijmetselaars geschreven, zij het dat geïnteresseerde lezers die niet tot de orde behoren er een boeiende kijk kunnen op krijgen.

Jean Somers beklemtoont dat de oorspronkelijke vrijmetselarij, in haar ontstaan beïnvloed door de Franse hugenoot Jean-Théophile Desaguliers, sterk hamerde op de tolerantie. Desaguliers heeft daarbij de ervaringen en beschouwingen van John Locke in Holland (Rotterdam) vernieuwd en verbreed. De Engelse filosoof verbleef als politieke banneling enkele jaren in de Lage Landen. Zijn ervaringen aldaar betroffen het bestaan van kleine genootschappen die als verdraagzame fraterniteiten functioneerden. Daaraan verbindt Jean Somers de titel van zijn boek: Le rêve du philosophe: de “droom van de filosoof”. Het is de droom van John Locke.

Die droom is op de een of andere wijze overgenomen door speculatieve genootschappen in Engeland. Het streven om een centrum van eenheid onder de mensen van verscheidene gezindheid te verwezenlijken in de relatieve beslotenheid van een kleine gemeenschap, was dus niet alleen de droom van de filosoof. Bij het begin van de achttiende eeuw, in een samenleving nog getekend door godsdiensttwisten, werden de politieke stabiliteit en de sociale cohesie meermaals onder druk gezet. Desaguliers nam de idee over van een vooral kleinschalig gerealiseerde tolerantie. De beslotenheid en de kleinschaligheid gaven aan de speculatieve fraterniteiten een “u-topisch” karakter. Geen vaste plaats dus.

Overigens waren er al van bij het prille begin van de vrijmetselarij dramatische verschillen opgetreden. Eenheid is er nooit geweest. Altijd werd er gewerkt met exclusieven om uiteindelijk te resulteren in een maçonniek continuüm met twee uitersten: (a) een katholiek getinte, anglicaanse, reguliere vrijmetselarij en (b) een laïciserende, niet dogmatische vrijmetselarij. In haar ontstaan noch in haar ontwikkeling is de vrijmetselarij ooit één en ondeelbaar geweest. Ik kom er in het slot van mijn bespreking nog even op terug. Jean Somers plaatst de diversiteit die de vrijmetselarij al sinds de eerste decennia van haar ontstaan heeft gekenmerkt, en die haar is blijven kenmerken tot op de dagvan vandaag, vervolgens ook in een naar de toekomst gericht historisch perspectief.

De tolerantie betreft in de eenentwintigste eeuw het actief rekening houden met de ander (l’Autre), vanuit een oprechte interesse voor zijn bestaan als mens, en gedreven door de inspanning om elkaar beter te leren kennen en te begrijpen. Geïnspireerd door Pierre Hadots La philosophie comme manière de vivre schrijft Somers dat de dialoog een spirituele oefening is. In de praktijk van de maçonnieke tolerantie wordt zij ondersteund door de rituele werkwijze (of methode). De rituelen van de vrijmetselarij besturen het “gesproken woord” in de loge. Het impliceert: aandachtig te luisteren, op een hoffelijke en bedachtzame wijze het woord te nemen en te voeren, en dit in het kader van een verzorgde broederlijke omgang met elkaar (mijn parafrase, p. 106). Wanneer dit op een behoorlijke manier wordt gecultiveerd, draagt het bij tot de uitstraling van het “centrum van eenheid” (Desaguliers en Anderson) die de grenzen van de loge overschrijdt. Maar hetstimuleert tevens de externe invloed van individuele vrijmetselaars in het maatschappelijke leven, in dat wat Jean Somers la Cité noemt. Dat laatste is van belang omdat de auteur op die manier aangeeft dat de vrijmetselarij niet vreemd is aan de polis en in die betekenis van het politieke ongetwijfeld maatschappelijk betrokken is. Het kan niet worden opgevat als politique politicienne. Als de vrijmetselarij maatschappelijke betekenis kan (en wil) hebben, zal dit uitsluitend het gevolg zijn van de externe invloed of werking van de individuele vrijmetselaars in de samenleving. Maar aan de basis van dat werk van de vrijmetselaars ligt een behoorlijke (gecultiveerde) menselijke omgang die door rituelen wordt omkaderd.

Samen geeft dat wat men wel eens aanduidt als “a system of morality”. Die overweging levert een verrassend resultaat op. De auteur pleit voor het samengaan van enerzijds de met Lalande gedefinieerde tolerantie, karakteristiek voor de 20ste en het begin van de 21ste eeuw, en anderzijds het pluralisme dat hij verbindt met het bestaan van de vele godsdiensten. Een centrum van eenheid zijn –in het klein dan, binnen een genootschap– sluit uit dat men exclusieven zou stellen op grond van geloofsovertuigingen. Uiteraard verhindert dit niet een gerechtvaardigde kritiek op de houding van de Rooms-katholieke kerk die sedert de 18de eeuw via pauselijke encyclieken en bullen het lidmaatschap van de vrijmetselaarsorganisaties heeft verboden. Dat liep door tot in 1983 met de Déclaration sur l’incompatibilité entre l’appartenance à l’ Eglise et à la franc-maçonnerie, verklaring van de Congregatie voor de geloofsleer. Maar van de weeromstuit is ook een deel van de vrijmetselarij zich gaan kenmerken door het uitsluiten van christenen, en dat niettegenstaande het feit dat de vrijmetselarij christelijke wortels heeft die tot vandaag eminent aanwezig blijven in de symboliek en de rituele werking.

Jean Somers vraagt zich af waarom vrijmetselaars christelijke (en zelfs katholieke)gelovigen zouden uitsluiten, wanneer zij om hun opname verzoeken. Moeten die katholieken (pratikerend of niet) anders behandeld worden dan Israëlitische en protestantse gelovigen? De auteur overloopt in dit verband een aantal gegevens die wijzen op de meer positieve relatie tussen de vrijmetselarij en de katholieke kerk. Hij verbindt daaraan een interessante beschouwing, geïnspireerd door Godfried Danneels, over dogma en dogmatisme. Het zal duidelijk zijn dat een christelijke geloofsovertuiging steunt op een aantal dogma’s. Maar volgens Danneels is het probleem van het dogmatisme dat sommige gelovigen de overtuiging zijn toegedaan dat de dogma’s gelijk staan aan waarheid, terwijl het slechts geloofsartikels zijn waarmee gelovigen zich willen onderscheiden van anderen.

Dogma’s zeggen niets over het waarheidskarakter van wat erin wordt beweerd.

Volgens Jean Somers moeten vrijmetselaars met die ontwikkelingen en nuances rekening houden. Zij moeten de verdedigers zijn van de tolerantie tegenover alle geloofsovertuigingen wanneer die moreel aanvaardbaar zijn, en zij moeten respectvol staan tegenover die mensen die achter hun overtuigingen staan zelfs wanneer die van confessionele aard zijn. Vrijmetselaars moeten de eigen geloofsovertuigingen kritisch onderzoeken, de geloofspunten kritisch onder de loupe nemen. Dat zijn: de oneindige perfectabiliteit van de mens; de onomkeerbare wet van de vooruitgang; de symbolische methode. En vooral, zo bepleit de auteur met verve, is het voor vrijmetselaars nodig om de passieve tolerantie (= alle meningen zijn even waardevol) om te zetten in een actieve, d.w.z. een confronterende tolerantie. Dat impliceert dat vrijmetselaars in het eigen milieu, maar evenzeer daarbuiten nadenken over alle vormen van exclusiviteit, op de eerste plaats de afgrenzing van mannen en vrouwen.

Ik heb dit boek met veel belangstelling en vreugde gelezen. Ik vond er standpunten in terug die ik graag tot de mijne wil maken. Het boek leest daarenboven gemakkelijk. De auteur heeft een groot pedagogisch talent. Hij slaagt erin de waas van geheimzinnigheid, die heel vaak de publicaties over de vrijmetselarij karakteriseert, weg te nemen. Hij presenteert een helder beeld over de historischeachtergronden van de vrijmetselarij, en hij wijst uitdrukkelijk op haar speculatieve wortels die hij in verband brengt met de sociaal-politieke en culturele ontwikkelingen van West-Europa in de 18de, 19de en 20ste eeuw. In zestien hoofdstukken behandelt hij verschillende dimensies van de vrijmetselaarsorganisatie. Elk van die hoofdstukken heeft een vraag als titel. Is de vrijmetselaarsorganisatie (= de loge, de groepering van loges, de overkoepelende organisatie van groeperingen van loges) een tolerant genootschap, een broederlijk genootschap, een genootschap zonder object, een orde, een geheim genootschap, een gesloten genootschap, een initiatiek genootschap, een school ter vervolmaking van de mens, een symbolisch genootschap, een ritueel genootschap, een onveranderlijk genootschap, een ideeëngenootschap, een politiek genootschap, een universeel genootschap, een mannen- en vrouwengenootschap, een kritisch genootschap?

In de beantwoording van die vragen groeit het boek uit tot een knap pleidooi voor een redelijke, niet dogmatische, open en tolerante vrijmetselarij, en bevat het een oprechte aanmoediging om dieper na te denken over haar toekomst vanuit de waarschuwing dat er dreigende vooruitzichten zijn wanneer vrijmetselaars verzuimen te werken aan haar herbronning en herziening.

Dit laatste stemt overeen met wat in één hoofdstuk heel uitdrukkelijk aan de orde is gesteld. Is de vrijmetselarij niet aan verandering en aan beweging onderhevig geweest? Is zij over zoveel decennia onveranderd en onveranderlijk gebleken? Sommige vrijmetselaars vinden de onveranderlijkheid essentieel. Als de vrijmetselarij niet eeuwig en onveranderlijk was, zeggen zij, dan zou zij geen enkele reden van bestaan hebben. In die aangelegenheid wordt doorgaans geschermd met begrippen als “de Aloude Plichten”, de “Landmerken”, de Aims of Recognition. En bij dit laatste hoort onveranderlijk het gezeur over een vermeende regulariteit en de aanmatiging van de universaliteit. Jean Somers liet niet na te wijzen op een manifeste contradictie in die visie. Eigenlijk wordt zo tegelijk beweerd: (a) de vrijmetselarij is oeroud en onveranderlijk; (b) in haar rituele vorm is zijn ergens en ooit ontstaan, met name in Frankrijk in de 2de helft van de 18 de eeuw, maar zelfs daarvoor in Engeland in de eerste helft van de 18de eeuw. Die twee posities zijn tegenstrijdig. Iets kan niet eeuwig en onveranderlijk zijn en ergens en ooit zijn ontstaan.

Ik ben het met de auteur eens dat de vrijmetselarij in haar ontstaan (ooit en ergens dus), in haar onloochenbare ontwikkeling, in haar organisatie, in haar rituele verscheidenheid, niet oertraditioneel is en kan zijn. In wezen zijn alle tradities uitgevonden. Jean Somers verwijst voor dit verdedigbaar standpunt naar Eric Hobsbawm en Terence Ranger (van die laatste: L’invention des traditions). Met een verwijzing naar de woorden –als ik me niet vergis en als ik mijn goede vriend John Devreker goed heb beluisterd– van keizer Claudius: “al wat traditie is, was ooit nieuw. Al wat nieuw is, zal ooit traditie zijn.”

Ronald Commers

zondag 17 november 2013

Dictionnaire du Rite Ecossais Ancien et Accepté




AUTEUR : Michel Saint-Gall
EDITEUR : Télètes - 2e édition revue et corrigée (16 octobre 2013)
RESUME : Nouvelle édition. Si les études sur les rituels et les plus célèbres tuileurs consacrés au Rite Écossais Ancien et Accepté sont accessibles au public, aucun dictionnaire de ce type, donnant la prononciation, la traduction correcte, l’étymologie et, autant que possible, la référence biblique des mots ne semble avoir été publié jusqu’ici.
Pour que ce dictionnaire soit à la portée de tous, nulle référence n’a été donnée quant aux degrés précis auxquels appartiennent les phrases, mots et les quelques acronymes expliqués. Le terme « »hébraïsme »" recouvre des phrases et des mots hébraïques, d’apparence ou pas hébraïques du tout mais prétendus tels, qui apparaissent dans les rituels ou les tuileurs.
Michel Saint-Gall a traduit la plupart de ces mots. Certains d’entre eux ont une signification traditionnelle qui ne correspond pas toujours à la traduction correcte, d’autres sont intraduisibles ou inconnus. Lorsque cela est nécessaire, l’auteur donne aussi les diverses interprétations des différents tuileurs et de quelques érudits anciens et modernes.
Le dictionnaire est précédé d’études sur les origines et les racines de ces mots, la prononciation, les caractères traditionnels et leurs graphismes, et d’une bibliographie de base. Cet ouvrage apportera au lecteur curieux ou averti, quel que soit le Rite, les réponses qu’il pouvait se poser quant aux origines de ces mots sacrés.
Le lecteur sera également frappé par le caractère théiste ou déiste qui sous-tend le Rite Écossais Ancien et Accepté. Car ils sont pour la plupart des noms, des attributs divins ou des louanges adressées à Dieu, même lorsqu’ils se présentent sous la forme de noms propres appartenant à des personnages bibliques.
« Un ouvrage de référence quasi indispensable à tous les chercheurs et non seulement à ceux du Rite Écossais Ancien et Accepté »A.C.F. Jackson, Ars Quator Coronati.
- See more at: dictionnaire-du-rite-ecossais-ancien-et-acceptedictionnaire-du-rite-ecossais-ancien-et-accepte.